|
Overdrachtsakte is bindend
Door een recente uitspraak van de Arnhemse belastingrechter
is nog eens bevestigd hoe ontzettend belangrijk het is om bij het
kopen of verkopen van een bedrijf heel goed na te denken over de
manier waarop de overdrachtsakte is opgesteld. Die akte is namelijk
bindend, en kan niet meer achteraf worden aangevochten bij de rechter,
ook al realiseert een van beide partijen zich achteraf dat hij benadeeld
is.
Wie een bedrijf koopt of verkoopt, onderhandelt niet alleen over
de totaalprijs, maar ook over opbouw daarvan. Want ook bij de prijsopbouw
is er sprake van tegengestelde belangen. Bij de prijsopbouw gaat
het over de manier waarop de totaalprijs verdeeld wordt over de
verschillende bedrijfsmiddelen, zoals inventaris, goodwill, bedrijfspanden
en voorraden. De uitkomst van die onderhandelingen wordt doorgaans
vastgelegd in de overdrachtsakte.
Vooral het belang van de onderhandelingen over de waardering van
de afzonderlijke bedrijfsmiddelen wordt nogal eens onderschat. Dat
is jammer, want het kan zowel de koper als de verkoper veel geld
schelen.
Waarom is die verdeling zo belangrijk? Omdat sommige bedrijfsmiddelen
wél voor investeringsaftrek in aanmerking komen en andere
niet. Voor de koper is het gunstig om een zo groot mogelijk deel
van de totaalprijs toe te rekenen aan bedrijfsmiddelen die in aanmerking
komen voor investeringsaftrek, maar voor de verkoper juist niet.
Er is dus sprake van tegengestelde belangen. En niet alleen vanwege
die investeringsaftrek; ook afschrijving en overdrachtsbelasting
kunnen daarbij een rol spelen.
Zo was er onlangs een horeca-ondernemer die achteraf tot de conclusie
kwam dat het voor hem gunstiger was geweest om een groter deel van
de koopsom toe te rekenen aan het bedrijfspand en de inventaris.
Van de belastingrechter in Arnhem kreeg hij echter nul op het rekest.
Dat de verkopende partij de wijze van splitsing had bepaald deed
er niet toe, net zo min als het feit dat de koper de fiscale consequenties
niet had kunnen overzien. Ook een taxatierapport dat bewees dat
het bedrijfspand veel meer waard was dan het bedrag in de overdrachtsakte,
kon de rechter niet vermurwen.
Het is daarom raadzaam om een fiscaal deskundige in te schakelen
vóór het opstellen van de overdrachtsakte. [terug
naar boven]
Door nieuwe werkgever overgenomen
studieschuld is loon
Wie van baan verandert en zijn nieuwe werkgever een bestaande
studieschuld laat overnemen, moet er rekening mee houden dat daarmee
de aard van de schuld verandert. De oorspronkelijke studieschuld
is dan een gewone schuld geworden, met alle fiscale gevolgen vandien.
Een werknemer declareerde bij zijn werkgever zijn studiekosten,
die hij op grond van de Wet loonbelasting onbelast vergoed kreeg.
Toen hij een nieuwe baan kreeg, moest hij zijn oude werkgever nog
een bedrag van EUR 3.302,- terugbetalen. De nieuwe werkgever nam
de studieschuld echter over, met een terugbetalingsverplichting
voor het geval de werknemer binnen drie jaar weer zou vertrekken.
Na het verstrijken van deze periode schold de werkgever de schuld
kwijt, waarna de inspecteur een naheffingsaanslag loonbelasting
oplegde.
De werknemer ging hiertegen in beroep en stelde dat de kwijtschelding
van de vrijgestelde vergoeding onbelast was. Maar dat leidde tot
niets. Het Hof Den Bosch was het eens met de inspecteur dat het
ging om het kwijtschelden van een persoonlijke schuld en handhaafde
de naheffingsaanslag.
Moraal van dit verhaal: werkgevers dienen voorzichtig te zijn
met het overnemen of onbelast vergoeden van oude studieschulden.
[terug naar boven]
Nieuwe maten leiden niet tot desinvesteringsbijtelling
Twee advocaten dreven samen een maatschap. Ze kochten
in 1993 een pand dat ze tot hun buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen
rekenden, maar na verbouwing en inrichting ter beschikking van de
maatschap stelden. Daarvoor claimden ze investeringsaftrek.
Begin 1995 traden er twee nieuwe advocaten toe tot de maatschap,
die echter geen eigenaar werden van het pand. De inspecteur corrigeerde
vervolgens de IB-aangifte over 1995 van de twee oude maten met een
desinvesteringsbijtelling, omdat het pand met ingang van 1995 hoofdzakelijk
(voor 70% of meer) ter beschikking van derden stond. Deze bijtelling
mag plaatsvinden als er binnen vijf jaar sprake is van vervreemding
van een bedrijfsmiddel.
Een van de twee advocaten accepteerde dit niet en kreeg gelijk
van het Hof Den Haag. Vervolgens kwam de zaak bij de Hoge Raad terecht.
Deze bevestigde dat de desinvesteringsbijtelling onjuist was, omdat
de terbeschikkingstelling aan derden, gemeten naar zijn aandeel
in de winst, slechts 46% was en niet 70% of meer zoals de inspecteur
gesteld had. [terug naar boven]
Meer duidelijkheid over beleggingen
in teakhout
Particuliere beleggers kunnen participeren in de exploitatie
van teakhout-projecten. De staatssecretaris heeft onlangs in een
besluit vastgelegd hoe de belastingheffing over directe participaties
(dus niet via aandelen of een kapitaalverzekering) in deze projecten
zal plaatsvinden. Bij een directe participatie stort de belegger
een bedrag dat hem recht geeft op (een deel van) de kap-opbrengst
van een stuk grond.
Deze participaties vallen in het algemeen onder het inkomen uit
sparen en beleggen in box III en niet onder het inkomen uit werk
en woning. Bossen zijn in box III vrijgesteld van de rendementsheffing
van 4%, maar dat geldt alleen wanneer de belastingbetaler het bos
volledig in eigendom heeft, wat bij directe participaties in houtprojecten
meestal niet het geval is, zodat de vrijstelling daarvoor niet geldt.
De participaties worden gewaardeerd op de waarde in het economische
verkeer, waarbij meestal de aan- en verkoopprijzen van de participaties
op de peildatum als uitgangspunt dienen.
Voor dit soort opbrengsten zijn de regels ter voorkoming van dubbele
belasting van toepassing. Als de plantages liggen in landen waarmee
Nederland een verdrag heeft, dan wordt belasting geheven in de landen
zelf en moet de Nederlandse fiscus voorkomen dat er dubbel belasting
wordt betaald. Is er geen verdrag, dan heft de Nederlandse fiscus
alleen belasting als de resultaten in dat land onderworpen zijn
aan een heffing naar inkomen. [terug naar boven]
Tanken via lease-maatschappij wordt
duurder
Veel lease-maatschappijen bieden hun klanten de mogelijkheid
om te tanken met een pasje. De lease-maatschappij schiet het geld
dan voor bij de brandstofleverancier, en brengt het achteraf in
rekening bij de klant. Maar wat blijkt: lease-maatschappijen kunnen
de BTW over de aangekochte brandstof niet meer terugkrijgen, omdat
ze die brandstof nooit zelf in handen hebben gehad. Dat blijkt uit
een uitspraak van het Europese Hof van Justitie.
Dit betekent dat werkgevers meer zullen moeten gaan betalen voor
lease-auto's, aangezien de lease-maatschappijen deze tegenvaller
natuurlijk gaan doorberekenen.
Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn dat werkgevers zelf tankpasjes
gaan aanbieden aan hun werknemers, maar misschien geeft dat weer
hetzelfde probleem. De werkgever tankt immers ook niet zelf, net
zo min als de lease-maatschappij. Daarnaast leidt het tot enorme
rompslomp en hoge kosten. [terug naar boven]
Koopprijs nieuwbouwwoning is uitgangspunt
voor WOZ-waarde
In januari 1998 kocht iemand een nieuwbouwwoning in Amsterdam
voor EUR 138.675,-. Vervolgens kreeg hij in maart 2001 een aanslag
onroerendgoedbelasting die gebaseerd was op een aanzienlijk hoger
bedrag, namelijk EUR 193.764,- (WOZ-waarde per 1 januari 1999).
De gemeente redeneerde dat de verhoging reëel was, omdat zo'n
huis nu eenmaal een stuk duurder wordt als het eenmaal meedraait
in de onroerendgoed-molen. De eigenaar van de woning vond dat onzin,
en stapte naar de rechter.
Het Hof Amsterdam was het eens met de eigenaar van het huis, en
stelde dat de waarde in het economisch verkeer en de koopprijs doorgaans
overeenstemmen. Volgens het Hof kon de gemeente niet aannemelijk
maken dat het hier anders lag.
Wel vond het Hof dat er een paar correcties toegepast moesten
worden om tot een reële WOZ-waarde te komen. Rekening houdend
met meerwerk, afgekochte erfpacht en een prijsstijging van 16% tussen
de koopdatum en de peildatum, kwam het Hof uit op een WOZ-waarde
van EUR 167.899,-. [terug naar boven]
Ziekte van BV-bestuurder is geen
excuus voor betalingsonmacht
Ook ernstig zieke BV-bestuurders moeten aan hun verplichtingen
voldoen, zo blijkt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep,
de hoogste rechter in sociale verzekeringszaken.
Een BV werd in 1993 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) diverse malen aangemaand om achterstanden in de premiebetaling
weg te werken. Pas half 1994 meldde een bestuurder van de BV dat
er sprake was van betalingsonmacht, waarop het Uwv liet weten dat
de meldingstermijn inmiddels verstreken was.
In september 1994 ging de BV failliet waarna het Uwv de bestuurder
persoonlijk aansprakelijk stelde voor een bedrag van EUR 40.840,-
aan achterstallige premies. Deze ging daar niet mee akkoord en legde
de zaak voor aan de Rechtbank Zwolle en aan de Centrale Raad van
Beroep. Zijn verweer kwam erop neer dat andere bestuurders hem hadden
tegengewerkt bij het tijdig melden van de betalingsonmacht. Bovendien
was hij een tijd ernstig ziek geweest.
De Centrale Raad van Beroep vond dat de bestuurder niet aannemelijk
kon maken dat hem geen blaam trof. Hij kende immers de slechte financiële
situatie van de BV en had actie moeten ondernemen. Het feit dat
hij ziek was geweest deed daar niets aan af; hij had immers een
vertegenwoordiger of belangenbehartiger kunnen aanstellen om zijn
bestuurstaken over te nemen. [terug naar boven]
Nieuwe Europese factuurvereisten
van kracht in 2004
Vanaf 1 januari 2004 gelden binnen de hele Europese Unie
dezelfde regels voor de vermelding van gegevens op papieren en elektronische
facturen. Voor Nederlandse ondernemers betekent dat een sterke toename
van het aantal verplichte gegevens.
Op facturen-nieuwe-stijl moeten de volgende gegevens staan:
- de datum van uitreiking;
- een volgnummer voor eenduidige identificatie;
- de BTW-nummers van leverancier en afnemer (nieuw!);
- de NAW-gegevens van leverancier en afnemer;
- hoeveelheid/omvang, aard en datum van de geleverde goederen
of diensten;
- de datum van een eventuele vooruitbetaling (nieuw!);
- de maatstaf van heffing voor elk tarief of elke vrijstelling
(nieuw!);
- de eenheidsprijs exclusief omzetbelasting en eventuele vooruitbetalingskortingen
en -rabatten die niet in de eenheidsprijs zijn begrepen (nieuw!);
- het toegepaste BTW-tarief en het te betalen BTW-bedrag;
- een verwijzing naar een eventueel toegepaste vrijstelling of
verleggingsregeling (nieuw!);
- een verwijzing naar een eventuele marge-regeling (nieuw!);
- gegevens waarmee kan worden vastgesteld of een vervoermiddel
nieuw is;
- het BTW-nummer plus de NAW-gegevens van de fiscaal vertegenwoordiger
bij eventuele verlegging van de BTW (nieuw!).
En tot slot: het BTW-bedrag moet worden uitgedrukt in de munteenheid
van de lidstaat waar de levering of dienst wordt verricht (nieuw!).
Houd rekening met deze vereisten als u nieuw briefpapier gaat bestellen.
[terug naar boven]
Bedrijven moeten rechten gaan betalen voor kopieën
Vanaf 1 februari 2003 moeten bedrijven rechten betalen
voor kopieën van auteursrechtelijk beschermd werk. Het tarief
is EUR 0,045 per pagina. Voor onderwijs-instellingen buiten het
wetenschappelijk onderwijs geldt een tarief van EUR 0,011 per pagina.
Bedrijven moeten het aantal kopieën dat ze jaarlijks maken,
doorgeven aan de Stichting Reprorecht, tenzij dat aantal kleiner
is dan 50.000. Die grens is getrokken om de administratieve rompslomp
voor kleinere bedrijven en organisaties te beperken. Dergelijke
kleingebruikers zijn echter niet vrijgesteld van betaling; ze moeten
een standaardbedrag betalen dat van bedrijf tot bedrijf kan verschillen.
Begin mei start een informatiecampagne waarin alle details bekend
worden gemaakt. [terug naar boven] |