::  Home  ::  Nieuwsbrief  ::  Archief  ::  maart 2005


       

 
Nieuwsbrief - 3-2005
Keuzeherziening partnerschap verruimd Renteaftrek bij verbouwing
Fictief loon DGA blijft twistpunt   Wat zijn 'toegestane voorzieningen'?
Bijtelling kunstmatig verlagen?   Auto van buitenslands wonende DGA belast in Nederland
Uw cateringkosten kunnen lager   Minderheidsaandeelhouder is verzekeringsplichtig

Waarschuwing voor echtscheiders met een eigen huis   Nieuwe VAR-verklaring geeft meer zekerheid

 


Fiscaal

Keuzeherziening partnerschap verruimd
Samenwoners kunnen zelf kiezen of ze al dan niet als fiscale partners behandeld willen worden. Een fiscaal partnerschap kan bijvoorbeeld nuttig zijn als de ene partner wel werkt en de andere niet, zodat de niet werkende partner toch aanspraak kan maken op de algemene heffingskorting van EUR 1.800,-. Ook bij de gezamenlijke aankoop van een eigen woning en voor het recht van successie kan een fiscaal partnerschap voordelig zijn. De regels voor het herzien van die keuze zijn nu verruimd.

Het wás al mogelijk om in een later stadium alsnog voor een fiscaal partnerschap te kiezen, als de aanslag inkomstenbelasting (voor beide partners) nog niet definitief was vastgesteld. Het Hof Amsterdam heeft echter bepaald dat de keuze ook mag worden herzien als de aanslag van slechts één van de partners nog niet definitief is vastgesteld. Hierdoor kan men dus gedurende een langere periode op de oorspronkelijke keuze terugkomen.

En nóg een wijziging: tot en met 2004 gold de keuze voor het partnerschap alleen voor het belastingjaar waarvoor aangifte werd gedaan. Met ingang van 1 januari 2005 geldt de keuze automatisch ook voor de jaren daarna, tenzij de belastingbetalers hun keuze herzien.

Let op: het is niet mogelijk om op deze manier oneigenlijk voordeel te behalen. Je kunt bijvoorbeeld niet de volledige hypotheekrente aftrekken bij één partner, vervolgens een fiscaal partnerschap aanvragen, en dan nog eens de helft van de hypotheekrente bij de andere partner aftrekken. In dat geval volgt een navordering bij de eerste partner (ook al was de aanslag al definitief).

[terug naar boven]


Fictief loon DGA blijft twistpunt
Regelmatig moeten rechters conflicten beslechten tussen directeuren-grootaandeelhouders en de fiscus, over het 'gebruikelijk loon'. De aanhoudende stroom van gerechtelijke uitspraken maakt de (beperkte) speelruimte van de DGA steeds duidelijker. Hieronder volgen twee recente uitspraken.

Het jaarsalaris moet wettelijk minstens EUR 38.118 bedragen. Van dit wettelijke minimum kan echter worden afgeweken, zowel naar boven als naar beneden. In eerste instantie wordt dan gekeken naar datgene wat een vergelijkbaar iemand in loondienst zou verdienen. In bepaalde gevallen kan er echter ook gekeken worden naar de winst van de BV. Bijvoorbeeld als er sprake is van een management-BV, of iets wat daarop lijkt. Meer smaken zijn er niet. De inspecteur kan dus niet zomaar lukraak -- zonder feitelijke onderbouwing -- een hoger salaris prikken. De bewijslast ligt bij de inspecteur. Dat was de strekking van een recente uitspraak van de Hoge Raad.

Tweede voorbeeld. De directeur van een beheer-BV, moedermaatschappij van zestien andere BV's, kreeg in 1998 van zijn beheer-BV een salaris van EUR 96.846,-. De inspecteur verhoogde dat bedrag bij de aanslag inkomstenbelasting tot EUR 113.445,-. De directeur ging in beroep bij het Hof Amsterdam. Het Hof vond op basis van de werkzaamheden van de directeur een loon van minstens EUR 181.512,- reëel.

Om het loon niet in belangrijke mate te laten afwijken van het voor andere werknemers in de sector gebruikelijke loon, moest het fictieve loon van de directeur volgens het Hof minstens 70% van deze EUR 181.512,- bedragen, oftewel: EUR 124.790,-. Het door de inspecteur opgelegde bedrag van EUR 113.445,- was dus niet te hoog. De Hoge Raad heeft deze uitspraak van het Hof onlangs bevestigd.

[terug naar boven]


Bijtelling kunstmatig verlagen?
Zoals bekend moeten IB-ondernemers met een auto van de zaak 22% van de cataloguswaarde bij de winst tellen, als ze 500 kilometer of meer privé rijden. Deze bijtelling hoeft echter nooit hoger te zijn dan de werkelijke kosten die in een jaar voor de auto worden gemaakt. Dat opent natuurlijk perspectieven voor het verlagen van de bijtelling, met name door de afschrijving kunstmatig te verlagen. In de praktijk blijkt dat helaas niet te werken.

Een IB-ondernemer stelde de afschrijving van zijn auto op 1 euro. Dat deed hij door de winst die hij had behaald op de vervreemding van een vorige auto af te boeken op de aanschafprijs van de nieuwe auto. De 'werkelijke kosten' werden daardoor behoorlijk laag.

De Hoge Raad vond echter dat die truc niet door de beugel kon. Werkelijke kosten zijn werkelijke kosten. En daar hoort een reële afschrijving bij.

[terug naar boven]


Uw cateringkosten kunnen lager
Bedrijven betalen vaak te veel geld aan cateraars, door een verkeerde toepassing van de BTW-regels. Dat zit zo. Over de catering van uw bedrijf kunt u geen BTW terugkrijgen. Dus: hoe lager het BTW-bedrag dat de cateraar in rekening brengt, hoe lager uw kosten.

Meestal heffen cateraars het hoge BTW-tarief (19%) over álle personeelskosten, wat doorgaans niet nodig is. Wat namelijk vaak over het hoofd wordt gezien, is dat de BTW over de personeelskosten gesplitst mag worden naar rato van de omzet. Dus: als er bij een omzet van 1000 euro voor 100 euro aan alcoholica geschonken is, dan is 10% van de personeelskosten belast met 19% BTW en 90% van de personeelskosten met 6% BTW.

Wijs uw cateraar daarom op de mogelijkheid om de kosten te splitsen naar tarief. Dat levert hem meer rekenwerk op, maar hij kan daardoor wel goedkoper werken dan zijn concurrenten, die vaak niet op de hoogte zijn van deze BTW-regel.

Bent u naar aanleiding van dit bericht op een idee gebracht? Bedenk dan dat het zelfs mogelijk is om rekeningen achteraf te herstellen (met behulp van een creditnota).

[terug naar boven]


Waarschuwing voor echtscheiders met een eigen huis
Slecht nieuws voor echtscheiders met een eigen huis. De bijleenregeling die sinds 1 januari 2004 van kracht is voor de renteaftrek van een eigen woning, beperkt ook de mogelijkheden om te lenen na een echtscheiding.

De regeling houdt in dat renteaftrek alleen nog mogelijk is voor maximaal het bedrag van de aanschafkosten van de nieuwe eigen woning, minus de gerealiseerde overwaarde van de oude eigen woning. Het onderstaande voorbeeld laat zien hoe de regeling uitpakt bij een in gemeenschap van goederen getrouwd echtpaar dat gaat scheiden, waarbij de vrouw in het huis blijft wonen.

Stel dat de woning EUR 300.000,- waard is op het moment dat hij wordt overgedragen aan de vrouw, en stel dat de eigenwoningschuld EUR 200.000,- bedraagt. De overwaarde is dus EUR 100.000,-, waarvan de helft voor de man is (EUR 50.000,-).

De man koopt voor zichzelf een nieuwe woning voor EUR 180.000,-. Dat betekent dat zijn recht op renteaftrek beperkt is tot een bedrag van EUR 180.000 min EUR 50.000 is EUR 130.000,-.

Dit probleem is eigenlijk onoplosbaar. De enige uitweg is dat de boedelscheiding zo georganiseerd wordt dat één van beide partners het huis krijgt en de ander evenveel contanten. De kans dat dat geld beschikbaar is, is echter klein.

[terug naar boven]


Renteaftrek bij verbouwing
In oktober 2004 heeft de Hoge Raad bepaald dat huiseigenaren die geld lenen voor een verbouwing, de bijbehorende rente pas mogen aftrekken als ze de verbouwingskosten hebben betaald. Dat kan lastig zijn als de verbouwing pas later begint (nadat het geld al geleend was) of als de verbouwing vertraging oploopt.

Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er Kamervragen gesteld, omdat dit toch wel erg zuur is. De Staatssecretaris keurt daarom goed dat gedurende een half jaar na het sluiten van een lening voor verbetering of onderhoud van de eigen woning, toch renteaftrek over het volledige bedrag kan worden verleend. Als de werkzaamheden na een half jaar nog niet zijn voltooid, dan wordt pas vanaf dat moment de renteaftrek berekend, uitgaande van de betaaldatum.

[terug naar boven]


Wat zijn 'toegestane voorzieningen'?
Bedrijven mogen bepaalde voorzieningen (voor toekomstige uitgaven) ten laste brengen van de winst in het jaar dat de voorziening gevormd wordt. Welke voorzieningen komen daar eigenlijk voor in aanmerking?

De Staatssecretaris heeft onlangs een aantal kenmerkende voorbeelden gegeven. Onder andere:

  • een voorziening voor persoonlijke toeslagen op het loon wegens een herziening in het functie- en salarisstelsel is niet toegestaan;
  • een voorziening voor toekomstige uitgaven voor belastingadviezen is wél toegestaan, onder voorwaarde dat er sprake is van een opgelegde aanslag die aangevochten gaat worden, en als aannemelijk is dat er kosten gemaakt zullen worden;
  • bij een reorganisatie -- waarbij kosten worden gemaakt voor de harmonisatie van de pensioenen en arbeidsvoorwaarden van het personeel -- moet per geval worden bekeken of de vorming van een voorziening is toegestaan.

[terug naar boven]


Auto van buitenslands wonende DGA belast in Nederland
In het buitenland wonende DGA's van Nederlandse BV's hoeven geen Nederlandse belasting te betalen over fictieve inkomsten, zoals fictief loon en fictieve rente. Dat soort inkomsten is doorgaans toegewezen aan het woonland. Maar geldt dat ook voor het autokostenforfait? Nee.

Een directeur die in Duitsland woonde, vond dat Nederland geen belasting mocht heffen over zijn peperdure Mercedes SE (cataloguswaarde EUR 109.111,-), omdat ook het autokostenforfait een fictieve inkomstenbron zou zijn. Die claim werd echter niet gehonoreerd door de inspecteur.

De Hoge Raad heeft onlangs bepaald dat een auto die door een Nederlandse werkgever ter beschikking is gesteld, wel degelijk tot het uit dienstbetrekking genoten inkomen behoort en dat slechts de hoogte daarvan forfaitair wordt vastgesteld.

De Hoge Raad verwierp ook de stelling van de directeur dat bij het autokostenforfait moest worden uitgegaan van de (lagere) Duitse catalogusprijs in plaats van de Nederlandse prijs.

[terug naar boven]


Sociaal

Minderheidsaandeelhouder is verzekeringsplichtig
Alle werknemers van een BV zijn verplicht verzekerd voor de sociale verzekeringen. De enige uitzondering hierop is de DGA. Het criterium is of er al dan niet een gezagsverhouding bestaat. Daarom geldt de verzekeringsplicht ook bijna altijd voor minderheidsaandeelhouders, zo blijkt uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechter in sociale verzekeringszaken. Minderheidsaandeelhouders kunnen immers ontslagen worden door meerderheidsaandeelhouders.

Ook het bestaan van een stemovereenkomst, waarin is vastgelegd dat alle besluiten unaniem genomen moeten worden (om ontslag onmogelijk te maken), doet niets af aan de verzekeringsplicht, aldus een recente uitspraak van de CRvB. Zelfs niet als er hoge boetes zijn afgesproken. Volgens de CRvB is het namelijk altijd mogelijk om je te onttrekken aan zo'n overeenkomst, hoe akelig de gevolgen ook kunnen zijn.

[terug naar boven]


Nieuwe VAR-verklaring geeft meer zekerheid
De Eerste en Tweede Kamer zijn akkoord gegaan met het wetsvoorstel 'Uitbreiding rechtsgevolgen verklaring arbeidsrelatie' (VAR). Doel van deze wet is het geven van zekerheid vooraf over de aard van de arbeidsrelatie tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers.

Bij een VAR WUO (winst uit onderneming) of een VAR DGA (werkzaamheden voor rekening en risico van de vennootschap) zijn opdrachtgevers niet verplicht om loon en verzekeringspremies in te houden.

De nieuwe VAR-verklaringen gelden ook voor opdrachten die doorlopen in een volgend jaar, vooropgesteld dat een opdracht is verleend vóór 1 november van het lopende jaar en er op dat moment nog geen VAR voor het volgende jaar is afgegeven.

[terug naar boven]

 
<< Terug